De Ziekte van Crohn - Alles over bloed :

MEER OVER BLOED††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††

AF (Alkalische fosfatase)

DOEL VAN DE BEPALING

De alkalische fosfatasebepaling wordt voornamelijk gebruikt om lever- en botafwijkingen op te sporen.
Alkalische fosfatase is onder andere in het bot werkzaam bij de botopbouw. Er worden dan ook verhoogde waarden gevonden bij botfracturen en sommige botziekten.
Bij jonge mensen die nog in de groei zijn, vindt men een verhoogde waarde van het enzym alkalische fosfatase in het bloed. Dit wordt veroorzaakt door een verhoogde botaanmaak en is dus normaal.
Daarnaast kan men een verhoogde waarde van alkalische fosfatase vinden bij leverafwijkingen die worden veroorzaakt door bijvoorbeeld galstuwing (veroorzaakt door galstenen) of alcoholmisbruik.
Soms is het zinvol om bij een verhoging van de alkalische fosfatasewaarde in het bloed, vast te stellen of de alkalische fosfatase afkomstig is van de botten of van de lever. Aanvullend onderzoek kan dan onderscheid maken tussen bot-alkalische fosfatase en lever-alkalische fosfatase. Dit is mogelijk omdat alkalische fosfatase afkomstig van bot anders is opgebouwd dan alkalische fosfatase afkomstig van de lever. Ze worden ook wel de AF iso-enzymen genoemd.

Zie ook: ASAT, ALAT, GGT, LDH, enzymen.

OMSCHRIJVING

AF staat voor Alkalische Fosfatase. Omdat het werkzaam is bij een pH van 10 (alkalisch) heeft het de naam alkalische fosfatase.
Het is een enzym dat een rol speelt bij het transport van fosfaat vanuit ons voedsel naar het inwendige van de cellen, waar het wordt gebruikt voor de opbouw van de cellen.
Alkalische fosfatase komt voor in de bot- en levercellen, en in de epitheelcellen (oppervlaktecellen) van de galwegen.

REFERENTIEWAARDEN

LET OP: referentiewaarden zijn afhankelijk van factoren als leeftijd, geslacht en bepalingsmethode. De hier gegeven waarde is dan ook slechts een globale waarde (zie ook: MEER OVER REFERENTIEWAARDEN).

Referentiewaarde AF:

Puberteit: 500 U/l (kleiner dan 500 eenheden per liter)
Volwassenen: 120 U/l (kleiner dan 120 eenheden per liter)

CRP (C-reactief proteÔne)

DOEL VAN DE BEPALING

De CRP-bepaling wordt gebruikt om niet specifieke bacteriele ontstekingen en infecties aan te tonen.
De hoogte van de CRP-concentratie in bloedserum is een maat voor de ontsteking of infectie en is niet specifiek voor een bepaalde ziekte. Verhoogde waarden worden gevonden bij patiŽnten met acute bacteriele infecties en ontstekingsreacties. Bij herstel daalt de concentratie van dit eiwit zeer snel. De bepaling wordt ook wel gebruikt om vast te stellen of men met een virale of bacteriele infectie te maken heeft; bij een virale infectie is de stijging van de CRP-concentratie gering.

Zie ook: Bezinking en Leukocyten.

OMSCHRIJVING

CRP staat voor C-reactief proteÔne. Dit is een eiwit dat vooral bij bacteriele ontstekingen en infecties onmiddellijk door het lichaam wordt aangemaakt. Men spreekt daarom van een "acute-fase eiwit". De concentratie van dit acute-fase eiwit stijgt bij een bacteriele ontsteking of infectie zeer snel en bij herstel neemt deze ook weer zeer snel af. Acute-fase eiwitten worden door de lever aangemaakt om de schadelijke werking van de ziekteverwekkers te remmen.

REFERENTIEWAARDEN

LET OP: referentiewaarden zijn afhankelijk van factoren als leeftijd, geslacht en bepalingsmethode. De hier gegeven waarde is dan ook slechts een globale waarde (zie ook: MEER OVER REFERENTIEWAARDEN).

Referentiewaarde CRP:

10 mg/l (kleiner dan 10 milligram per liter)

ERYTROCYTEN (rode bloedcellen, ery's)

DOEL VAN DE BEPALING

Het aantal erytrocyten, ook wel rode bloedcellen of rode bloedlichaampjes genaamd, wordt vooral gemeten om vast te stellen of een laag hemoglobine-gehalte (bloedarmoede, anemie), wordt veroorzaakt door een te laag aantal erytrocyten, of dat de anemie een andere oorzaak heeft.

Zie ook: MCV, MCH, MCHC, TYBC, IJZER, Hb en Ht.

OMSCHRIJVING

Erytrocyten zijn cellen die eruit zien als ronde kussentjes, die aan de boven- en onderzijde ingedeukt zijn. Ze zijn gevuld met hemoglobine. Erytrocyten worden net als††††

†††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† †

alle andere bloedcellen in het beenmerg aangemaakt. De levensduur van een erytrocyt bedraagt ongeveer 120 dagen.

Erytrocyten zorgen voor het zuurstoftransport door het lichaam. Dit doen ze met behulp van het hemoglobine wat in de cel aanwezig is. Als erytrocyten de longen passeren raken ze verzadigd met zuurstof. Bij de organen aangekomen staan ze de opgenomen zuurstof af. Tegelijkertijd nemen ze de door de organen gebruikte zuurstof in de vorm van koolstofdioxide weer op en transporteren dit naar de longen waar het kan worden uitgeademd.

REFERENTIEWAARDEN

LET OP: referentiewaarden zijn afhankelijk van factoren als leeftijd, geslacht en bepalingsmethode. De hier gegeven waarde is dan ook slechts een globale waarde (zie ook: MEER OVER REFERENTIEWAARDEN).

Referentiewaarde aantal erytrocyten:

Mannen: 4,3 - 5,8 x 1012 /l
Vrouwen: 3,8 - 5,0 x 1012 /l

N.B. 1,0 x 1012 /l = 1.000.000.000.000 erytrocyten per liter bloed.

HEMOGLOBINE (Hb)

DOEL VAN DE BEPALING

De concentratie van hemoglobine in bloed, kortweg Hb genoemd, wordt bepaald om bloedarmoede (anemie) vast te stellen. Bij bloedarmoede ziet de betrokkene bleek en vermindert het uithoudingsvermogen. Dit komt doordat bij een laag hemoglobinegehalte het bloed (lees: de rode bloedcellen) te weinig zuurstof naar weefsels en organen transporteert. Men heeft dan al snel “te weinig lucht.”

Verlaagde waarden voor hemoglobine worden gevonden bij een ijzergebrek. Dit doet zich voor bij onvoldoende ijzer in de voeding of door opnamestoornissen van de darm. De aanmaak van hemoglobine is ook verstoord bij onvoldoende opname van vitamine B12 en foliumzuur. Verder zie je verlaagde waarden voor hemoglobine bij ernstig bloedverlies, bij versnelde afbraak van rode bloedcellen en bij zwangerschap. Soms spelen erfelijke factoren een rol bij afwijkingen in de aanmaak van de eiwitketens van hemoglobine. Ook bij ziekten van het beenmerg en bij chemotherapie wordt bloedarmoede waargenomen.

Zie ook: Erytrocyten, IJzer, Indices, Ht.

OMSCHRIJVING

Hemoglobine is het belangrijkste eiwit in de rode bloedcellen. Het geeft de rode bloedcellen —en daarom ook het bloed— zijn rode kleur. Hemoglobine is een ingewikkeld molecuul dat bestaat uit vier eiwitketens met daarin vier ijzeratomen. Eťn rode bloedcel bevat ongeveer 270 miljoen hemoglobinemoleculen. Door de aanwezigheid van ijzer in de hemoglobinemoleculen kunnen deze zuurstof en kooldioxide binden. Rode bloedcellen zijn daardoor in staat de weefsels van zuurstof te voorzien en kooldioxide af te voeren naar de longen.

Veelal wordt over ijzer gesproken als hemoglobine wordt bedoeld. Er is echter een essentieel verschil: alleen hemoglobine kan zuurstof opnemen ťn afgeven. IJzer dat niet aan hemoglobine gebonden is kan dit niet. Voor de productie van hemoglobine is ijzer nodig dat via het voedsel wordt opgenomen. Als er te weinig ijzer wordt opgenomen daalt de hemoglobineconcentratie en spreekt men over bloedarmoede of anemie. Door bloedarmoede vermindert het uithoudingsvermogen en ziet de betrokkene bleek.

Er kunnen zich ook andere stoornissen in de hemoglobineproductie voordoen. Bij de aanmaak van het eiwitgedeelte van het hemoglobinemolecuul kunnen fouten optreden waardoor er bloedarmoede ontstaat. Dit zijn veelal aangeboren (erfelijke) afwijkingen zoals sikkelcelanemie, die vooral bij negroÔde mensen voorkomt en thalassemie, een aandoening die vooral optreedt bij mensen uit het Middellandse-Zeegebied.

Voor de bepaling van “het Hb” wordt gebruik gemaakt van een stof die de rode bloedcellen (erytrocyten) kapot maakt en de daarbij vrijgekomen hemoglobine omzet naar een stabiele vorm. De intensiteit van de helderrode kleur die daardoor ontstaat is een maat voor de hemoglobineconcentratie.

REFERENTIEWAARDEN

LET OP: referentiewaarden zijn afhankelijk van factoren als leeftijd, geslacht en bepalingsmethode. De hier gegeven waarde is dan ook slechts een globale waarde (zie ook: MEER OVER REFERENTIEWAARDEN).

Referentiewaarde hemoglobine:

Mannen: 8,5 - 11,0 mmol/l
Vrouwen: 7,5 - 10,0 mmol/l

HEMATOCRIET (Ht)

DOEL VAN DE BEPALING

Het meten van de hematocriet-waarde van het bloed heeft tot doel het bepalen van de volumefractie die de rode bloedcellen (erytrocyten) in het bloed innemen, ofwel het totale volume van de rode bloedcellen ten opzichte van het totale volume van het bloed. Verlaagde waarden worden gevonden bij bloedarmoede. Verhoogde waarden worden gevonden bij uitdroging.
Het bepalen van de hematocriet-waarde (Ht) is praktisch altijd gekoppeld aan de bepaling van de hemoglobine-concentratie (Hb); een verlaagd Hb geeft (bijna) altijd een verlaagd Ht. De twee bepalingen worden in verhouding tot elkaar beoordeeld, eventueel in combinatie met de erytrocyten-concentratie en het gemiddelde volume van de erytrocyten (MCV). De arts kan door de combinatie van deze bepalingen de aard van een eventuele bloedarmoede beoordelen. De bepaling van de hematocriet-waarde heeft daarom alleen een ondersteunende functie met betrekking tot andere bepalingen.

Zie ook: MCV, MCH, MCHC, TYBC, IJZER, Hb en Erytrocyten.

OMSCHRIJVING

De volumefractie die de rode bloedcellen in het bloed innemen wordt de hematocriet-waarde genoemd. Voor de bepaling van deze hematocriet-waarde (in de praktijk meestal Ht genoemd) moet men de rode bloedcellen scheiden van de rest van het bloed om het percentage rode bloedcellen te kunnen meten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een heel dun glazen buisje (capillairtje) dat gevuld wordt met bloed waaraan een antistollingsmiddel is toegevoegd. Nadat het glazen buisje is afgesloten wordt deze in een centrifuge geplaatst en met een hoog toerental rondgedraaid, waardoor de rode bloedcellen in het onderste gedeelte van het buisje worden opeengepakt. Daar bovenop komt een heel dun laagje witte bloedcellen en bloedplaatjes. Bovenop dit dunne laagje cellen bevindt zich de bloedvloeistof (bloedplasma). De verhouding tussen de hoogte van de rode bloedcellenkolom en de totale kolomlengte kan dan worden gemeten. De zo gevonden hematocriet-waarde wordt opgegeven in liter per liter. Sommige laboratoria geven de waarde op in procenten.

†††††††††††††††††††††††

De bovengenoemde methode voor de Ht-meting wordt in ziekenhuislaboratoria niet meer toegepast, maar geeft wel duidelijk het principe van de bepaling weer. Tegenwoordig wordt de Ht-bepaling uitgevoerd door moderne analyse-apparatuur die het aantal rode bloedcellen en het (gemiddelde) volume van de rode bloedcellen kan meten. Door deze getallen te vermenigvuldigen wordt de Ht-waarde berekend.

De bepaling van de hematocriet-waarde komt regelmatig in het nieuws als test voor gebruik van het verboden middel EPO in de sport. Door gebruik van dit dopingmiddel, dat eigenlijk een medicijn is, wordt door het lichaam extra rode bloedcellen aangemaakt, waardoor de Ht-waarde stijgt. Het bloed kan daardoor meer zuurstof vervoeren en het uithoudingsvermogen van de sporter neemt daardoor toe. Alhoewel met de bepaling van de Ht het gebruik van EPO niet wordt bewezen, wordt deze test wel toegepast om vermeend EPO-gebruik te bestraffen.

REFERENTIEWAARDEN

LET OP: referentiewaarden zijn afhankelijk van factoren als leeftijd, geslacht en bepalingsmethode. De hier gegeven waarde is dan ook slechts een globale waarde (zie ook: MEER OVER REFERENTIEWAARDEN).

Referentiewaarde hematocriet:

Mannen : 0,41 – 0,51 l/l (41 – 51 %)
Vrouwen : 0,36 – 0,47 l/l (36 – 47 %)

LEUKOCYTEN (witte bloedcellen, leuko's)

DOEL VAN DE BEPALING

De bepaling van het aantal leukocyten (witte bloedcellen) heeft meestal als doel de lichamelijke activiteit tegen ziekteverwekkende infecties en ontstekingen te beoordelen. Bij aanwezigheid van deze ziekteverwekkers worden verhoogde waarden van de leukocyten in het bloed gevonden, evenals bij grote lichamelijke inspanning en bij zwangerschap. Verlaagde aantallen leukocyten vindt men bij radiotherapie, chemotherapie of onder invloed van bepaalde chemische stoffen.

Zie ook: Bezinking, CRP, differentiatie leucocyten.

OMSCHRIJVING

Bloed bestaat uit bloedvloeistof (bloedplasma) met daarin de bloedcellen. Deze bloedcellen kunnen we onderverdelen in drie groepen: de rode bloedcellen, de witte bloedcellen en de bloedplaatjes. De ontwikkeling van deze bloedcellen vindt voornamelijk plaats in het beenmerg van de platte beenderen van de schedel, de ribben, het borstbeen, de wervels, en het bekken. Alle bloedcellen ontwikkelen zich uit ťťn speciale stamcel die zich snel kan delen.
De stamcel kan uitrijpen tot elk type bloedcel. In het laatste stadium van de ontwikkeling worden de bloedcellen afgegeven in de bloedcirculatie. De dagelijkse productie bedraagt 200 miljard rode bloedcellen en 150 miljard witte bloedcellen. Witte bloedcellen worden leukocyten genoemd en worden hier besproken.

Leukocyten spelen een belangrijke rol bij de afweer tegen ziekteverwekkende micro-organismen (bacteriŽn, virussen en parasieten) en lichaamsvreemde stoffen. Als een ziekteverwekker het lichaam binnendringt, begeven de leukocyten zich massaal in de richting van deze plek. Ze bewegen daarbij zelfs tegen de bloedstroom in richting de ziektehaard, verlaten de bloedbaan en bewegen zich door het weefsel naar de plaatsen waar hun aanwezigheid gewenst is. Daar maken ze de ziektekiemen onschadelijk en ruimen de lichaamsvreemde stoffen op.
Het lichaam heeft een grote hoeveelheid leukocyten paraat. De bloedbaan dient slechts als transportmedium en bevat slechts een klein deel van alle leukocyten.
De opeenhoping van leukocyten rond een infectiehaard is aan de buitenkant van het lichaam vaak waarneembaar. De zogenaamde ontstekingsplek is rood gezwollen, pijnlijk en warm door de verhoogde bloedtoevoer en de grote hoeveelheid leukocyten die daar aanwezig is.

Leukocyten is een verzamelnaam voor verschillende soorten witte bloedcellen. Twee soorten komen in de bloedbaan het meeste voor; dat zijn granulocyten en lymfocyten. Granulocyten vormen de belangrijkste afweer tegen bacteriŽle infecties.
Lymfocyten kunnen zich ontwikkelen tot plasmacellen. De plasmacellen produceren antistoffen welke een belangrijke rol vervullen bij de afweer tegen virussen.

REFERENTIEWAARDEN

LET OP: referentiewaarden zijn afhankelijk van factoren als leeftijd, geslacht en bepalingsmethode. De hier gegeven waarde is dan ook slechts een globale waarde (zie ook: MEER OVER REFERENTIEWAARDEN).

Referentiewaarde aantal leukocyten:

4,0 - 10,0 x 109/l
(4.000.000.000 - 10.000.000.000 leukocyten per liter bloed)

De functie van het bloed†††††††††††††††††††††††††††††††††††††††

De belangrijkste functie van het bloed is: het opnemen, vervoeren en afgeven van stoffen die nodig zijn voor het functioneren van de cellen van het lichaam. Meestal zijn deze stoffen opgelost in het bloed of gebonden aan een transporteiwit of ander transportmechanisme. De afvalstoffen worden mee terug genomen om uitgescheiden te worden.
Het bloed circuleert door het hele lichaam. Door de aanwezigheid van kleine capillaire haarvaten kunnen alle cellen bereikt worden.

De samenstelling van het bloed

Het bloed bestaat uit een bloedvloeistof, plasma genaamd, met daarin de opgeloste stoffen en de bloedcellen.

Bloedcellen

In het bloed bevinden zich de zogenaamde bloedcellen. Deze bloedcellen kan men onderverdelen in:

  • rode bloedcellen of erytrocyten, welke een rol spelen bij het transport van zuurstof en koolstofdioxide;
  • witte bloedcellen of leucocyten, welke een rol spelen bij de afweer tegen ziekteverwekkers en de opbouw van immuniteit;
  • bloedplaatjes of trombocyten; deze overblijfselen van een bepaalde cel spelen een rol bij de bloedstolling.
Plasma en serum

Als men een buis bloed afneemt in een afnamebuis zonder toevoegingen, zal het bloed na verloop van tijd (2-10 minuten) uit zichzelf gaan stollen. Men kan bloed onstolbaar maken door er bepaalde chemische stoffen als citraat, heparine of EDTA, aan toe te voegen. Deze stoffen bevinden zich in speciaal daarvoor geprepareerde afnamebuizen.

Afhankelijk van het soort bloedonderzoek kiest men voor een bepaalde afnamebuis. Dit kan een buis zijn zonder toevoegingen als er met de bloedvloeistof, het serum, verder gewerkt gaat worden. Of indien het bloed niet mag stollen kiest men een buis waarin zich al wat citraat, heparine of EDTA bevindt. De keuze voor een bepaald antistollingsmiddel hangt ook weer af van het soort bloedonderzoek.

Indien het bloedonderzoek plaatsvindt in de bloedvloeistof is het nodig om de cellen van de bloedvloeistof te scheiden. De scheiding tussen cellen en vloeistof gebeurt door centrifuge. Als men een buis bloed in een centrifuge plaatst en centrifugeert, worden de cellen naar het onderste gedeelte van de buis geduwd. De gelige, heldere bloedvloeistof boven in de buis noemt men in het geval van gestold bloed serum. Als men een buis onstolbaar gemaakt bloed centrifugeert noemt men de bloedvloeistof plasma.††

†††††††††††††††††††††††††††

Afhankelijk van het soort bloedonderzoek gebruikt men serum of plasma. Voor het tellen van de bloedcellen en het beoordelen ervan gebruikt men onstolbaar gemaakt bloed dat niet gecentrifugeerd is. Dit noemt men volbloed.
Het plasma bestaat voor 90% uit water waarin allerlei stoffen zijn opgelost. Een indeling van deze stoffen:

  • anorganische ionen en zouten (0.9% van het plasmagewicht );
  • plasma-eiwitten afkomstig uit de lever (7-9% van het plasmagewicht );
  • organische voedingsstoffen zoals glucose, vet, en aminozuren;
  • bijzondere produkten als hormonen en enzymen;
  • gassen in oplossing, zoals zuurstof en koolstofdioxide;
  • afvalprodukten, bijvoorbeeld ureum.

MEER OVER REFERENTIEWAARDEN

De uitkomst van een laboratoriumonderzoek wordt vaak in de vorm van een getal weergegeven. De uitslag van bijvoorbeeld een hemoglobinebepaling zou 7,5 mmol/l kunnen zijn. Deze uitkomst zegt dat de concentratie hemoglobine in het bloed 7,5 millimol per liter bedraagt. Dit getal krijgt echter pas betekenis als het vergeleken kan worden met een normaalwaardengebied.
Omdat patiŽnten over het algemeen niet op de hoogte zijn van de normaalwaarden, en om te voorkomen dat patiŽnten uitslagen onjuist interpreteren worden laboratoriumuitslagen altijd aan een arts gerapporteerd. Meestal is dit de aanvrager en tevens de behandelaar. Met behulp van de anamnese, het laboratoriumonderzoek en eventueel andere verichtte ondezoeken, kan een arts vervolgens een diagnose stellen of een behandeling vervolgen.

Een normaalwaardengebied van een bepaling kan worden verkregen door de bepaling uit te voeren bij een groep van meer dan honderd gezonde personen. Deze groep mensen noemt men wel de referentiepopulatie. Men maakt hierbij vaak nog een onderscheid naar geslacht, leeftijd, dieet, enz. De verkregen resultaten kunnen dan in een grafiek, de zogenaamde curve van Gauss, worden weergegeven (zie afbeelding).

†††††††††††††††††††††††††

Als normaalwaardengebied wordt dan het 95%-gebied van een referentiepopulatie gekozen. Indien de uitslag van een laboratoriumonderzoek binnen het 95%-gebied van deze referentiepopulatie valt, wordt de uitslag als normaal beschouwd.
Omdat het normaalwaardengebied is gerelateerd aan een specifieke referentiepopulatie gebruikt men liever de term referentiegebied dan normaalwaardengebied en ook liever de term referentiewaarde dan normaalwaarde.

Referentiewaarden kunnen dus onder andere afhankelijk zijn van factoren als leeftijd, geslacht en dieet. Een andere, minder voor de hand liggende factor is de bepalingsmethode. Een voorbeeld hiervan is de bepalingstemperatuur. Een bepaling wordt vaak bij een bepaalde vastgestelde temperatuur uitgevoerd. Bij een hogere bepalingstemperatuur vindt men andere resultaten dan bij een lagere bepalingstemperatuur. Het referentiegebied kan dus bij een bepalingstemperatuur van 30 įC anders zijn dan bij een bepalingstemperatuur van 37 įC. Bij de interpretatie van een uitslag moet deze dan ook worden vergeleken met de voor het laboratorium geldende referentiewaarde.

Voorbeelden van referentiegebieden:

Referentiewaarde Hemoglobine-bepaling:

Volwassen mannen : 8,5 - 11,0 mmol/l
Volwassen vrouwen : 7,5 - 10,0 mmol/l
Factoren hierbij zijn: leeftijd en geslacht.

Referentiewaarde Alkalische Fosfatase-bepaling:

Temperatuur 37įC : 40 - 120 U/l
Temperatuur 30įC : 30 - 95 U/l
Factor hierbij is: bepalingstemperatuur.

BSE (Bezinking, BME)

DOEL VAN DE BEPALING

De BSE is een proef voor algemeen oriŽnterend onderzoek.
Het wordt meestal bepaald om niet specifieke ontstekingen en infecties aan te tonen. De hoogte van de bezinking is een maat voor de ontsteking of infectie en is niet specifiek voor een bepaalde ziekte. Verhoogde waarden worden gevonden bij chronische en acute infecties en ontstekingen.

Zie ook: CRP en Leukocyten.

OMSCHRIJVING

BSE staat voor "BezinkingsSnelheid der Erytrocyten".
Alhoewel verouderd, wordt deze term door de meeste laboratoria nog gebruikt in plaats van de nieuwe naam BME (BezinkingsMaat van de Erytrocyten). Veelal spreekt men over de "bezinking", wat door leken vaak foutief tot "bezinksel" wordt vervormd. Ook wordt vaak gedacht dat deze bepaling te maken heeft met "de gekke koeienziekte", hetgeen nadrukkelijk niet het geval is.

Bij de bepaling van de bezinking wordt gemeten hoeveel millimeter de erytrocyten (rode bloedcellen) na precies een uur zijn bezonken (uitgezakt) in een daarvoor speciaal afgenomen buis. Bij ontstekingen en infecties komen in het lichaam eiwitten vrij die ertoe bijdragen dat erytrocyten in een buis sneller bezinken.

REFERENTIEWAARDEN

LET OP: referentiewaarden zijn afhankelijk van factoren als leeftijd, geslacht en bepalingsmethode. De hier gegeven waarde is dan ook slechts een globale waarde (zie ook: MEER OVER REFERENTIEWAARDEN).

Referentiewaarde BSE:

Mannen: 15 mm/uur (kleiner dan 15 mm per uur)
Vrouwen: 20 mm/uur (kleiner dan 20 mm per uur)

TROMBOCYTEN (Bloedplaatjes, trombo’s)

DOEL VAN DE BEPALING

Trombocyten of bloedplaatjes spelen een belangrijke rol bij het stelpen van bloedingen en het op gang brengen van de bloedstolling. Ze zorgen voor het intact houden van de binnenkant van de bloedvaten en voor het herstel bij verwondingen, zodat bloedverlies zoveel mogelijk wordt voorkomen. Bij een tekort aan trombocyten ontstaat er een bloedingsneiging die zich kenmerkt door blauwe plekken, het lang doorbloeden van wondjes, neusbloedingen en het optreden van karakteristieke puntvormige huidbloedinkjes (petechiŽn).

Een verlaagd aantal trombocyten vindt men bij een verminderde aanmaak door het beenmerg. Dit kan bijvoorbeeld veroorzaakt worden door beschadiging van het beenmerg door medicijnen of bij radiotherapie. Verder vindt men verlaagde waarden bij een versnelde afbraak van trombocyten door infecties en bij de aanwezigheid van antistoffen gericht tegen trombocyten. Ook bij een verhoogd verbruik door ernstige verwondingen en bij groot bloedverlies kan een daling optreden.

Verhoging van het aantal trombocyten ziet men bij mensen waarbij de milt is verwijderd en soms bij ontstekingen of infecties.

Zie ook: stolling, APTT, PTT, fibrinogeen en bloedingstijd.

OMSCHRIJVING

Bloed bestaat uit bloedvloeistof (bloedplasma) met daarin bloedcellen. Deze bloedcellen kunnen we onderverdelen in drie groepen: de rode bloedcellen, de witte bloedcellen en de bloedplaatjes. De productie van deze bloedcellen vindt voornamelijk plaats in het beenmerg van de platte beenderen van de schedel, de ribben, het borstbeen, de wervels, en het bekken. Ze worden gevormd vanuit een speciale stamcel die zich snel kan delen en uitrijpen tot elk type bloedcel, welke aan het bloed wordt afgegeven.
Bij de productie van trombocyten groeit de stamcel in het beenmerg uit tot zeer grote cellen, megakaryocyten genaamd. Dit zijn de grootste cellen in het beenmerg en ze bevatten zeer veel celfragmenten die aan het bloed worden afgegeven. Deze celfragmenten noemt men de trombocyten.
De trombocyten zijn dus eigenlijk geen echte cellen, maar celfragmenten, welke een stuk kleiner zijn dan andere bloedcellen. Bij gezonde mensen worden dagelijks ongeveer 45 miljard trombocyten geproduceerd welke een levensduur hebben van 7 tot 10 dagen.

Trombocyten spelen een belangrijke rol in de bloedstolling en bloedstelping. Na het beschadigen van een bloedvat komt er een reactie op gang die de trombocyten aan elkaar doet verkleven. Hierbij komen stoffen vrij waardoor het bloedvat samentrekt en de bloedstolling op gang komt. Deze bloedstolling is een ingewikkeld proces van kettingreacties, waardoor er ter plaatse een aaneengroeiende ophoping van bloedplaatjes ontstaat die zich samentrekt en zo de beschadigde vaatwand afdicht. Uiteindelijk gaat deze bloedstelpingsprop over in een dicht netwerk van stollingseiwitten (fibrine) en geneest de wond.

Voor de telling van het aantal trombocyten in het bloed wordt gebruik gemaakt van elektronische analyse-apparatuur, waarbij bloed door een detector wordt geleid. Trombocyten produceren signalen die door de detector worden gedetecteerd en geteld.

REFERENTIEWAARDEN

LET OP: referentiewaarden zijn afhankelijk van factoren als leeftijd, geslacht en bepalingsmethode. De hier gegeven waarde is dan ook slechts een globale waarde (zie ook: MEER OVER REFERENTIEWAARDEN).

Referentiewaarde aantal trombocyten:

Volwassenen: 150 – 400 x 109/l
(150.000.000.000 - 400.000.000.000 trombocyten per liter bloed)

Attention: Omni Chat is not responsible for the contents of this group. Click here for more information.

© 2006 - 2014 Omni-Chat All Rights Reserved. Code of Conduct - Privacy Statement - Advertise